U bevindt zich hier: HondenziektesHondenziektesHormonen ╗ Diabetes

Diabetes

Normaal wordt het suikergehalte in het bloed op peil gehouden door het hormoon insuline. Dit wordt geproduceerd door gespecialiseerde cellen in de alvleesklier (pancreas). De insuline wordt in het bloed losgelaten als het suikergehalte in het bloed te hoog dreigt te worden, zoals na een maaltijd. De insuline zorgt er dan voor dat het het overtollige suiker wordt opgeslagen voor later, wanneer er een suikertekort dreigt.

Bij diabetes mellitus of suikerziekte produceert de alvleesklier geen of te weinig insuline.
Het suikergehalte in het bloed wordt niet meer op een constant peil gehouden, maar gaat zeer hoog stijgen: men spreekt dan van hyperglycemie.

Bij honden treffen we bijna uitsluitend diabetes type I of insuline afhankelijke diabetes aan. De diabetes van het type II of insuline onafhankelijke diabetes die men soms bij mensen aantreft ziet men bijna nooit bij de hond.

Diabetes wordt bij honden meer gezien bij kleine rassen en bij obese (te dikke) honden.
Bij niet-gesteriliseerde teven ziet men vaker diabetes. Dit komt omdat het vrouwelijke hormoon oestrogeen de insulineproductie afremt.

Symptomen

Suikerziekte wordt gekenmerkt door een erg groot dorstgevoel. De hond krijgt polyurie/polydipsie: hij zal zeer veel beginnen drinken en plassen. In vele gevallen is dit het enige symptoom.
Andere symptomen kunnen zijn: vermageren ondanks veel eten, zwakte in de poten, braken en diarree.
Na een lange tijd kan cataract optreden.

In onbehandelde suikerziekte is er het gevaar dat het dier in ketoacidose gaat. Dit is een potentieel levensbedreigende aandoening en dient met spoed behandelt te worden. De hond zal dan zeer suf tot comateus worden.

Diagnose

Bij diabetes mellitus zal het suikergehalte in het bloed en in de urine veel te hoog zijn. De diagnose wordt dan ook gesteld aan de hand van een bloed- of urineonderzoek.

Behandeling

Bij niet gesteriliseerde teven die nog maar onlangs diabetes hebben ontwikkeld, zal men eerst een sterilisatie uitvoeren. Indien men binnen de 3 weken na het ontstaan van de suikerziekte de teef steriliseert, is er een vrij goede kans dat de insuline productie terug normaliseert.

De behandeling van suikerziekte bij de hond bestaat uit het dagelijks inspuiten van insuline. Jammer genoeg zijn de tabletten die soms aan mensen met suikerziekte worden gegeven, enkel werkzaam bij het voor honden zeldzame type II diabetes.

Het vaststellen van de juiste dosis insuline kan soms een moeilijke taak zijn! Het kan weken tot maanden duren alvorens men de juiste dosis vindt.

Ook een aanpassing van het dieet zal nodig zijn. De dieren worden op een strikt dieet gezet met een speciaal aangepast voer dat op vaste tijdstippen gegeven zal worden. Snoepjes tussendoor zijn uit den boze!

Indien men te veel insuline toedient bestaat het gevaar dat de hond in hypoglycemie gaat: het suikergehalte in het bloed wordt te laag. Dit is een gevaarlijke situatie en indien men de eerste symptomen ervan ziet moet men dadelijk de hond suiker toedienen, best in de vorm van suikerwater.

Prognose

De prognose van een goed behandelde diabetes mellitus is vrij goed. De meeste dieren kunnen nog enkele jaren zonder al te veel problemen verder.
Het rigoureus opvolgen van de behandeling is echter van groot belang.

Preventie

De kans op diabetes kan verkleind worden door de honden niet te overvoederen en door teven te laten steriliseren.